Wat het onderwijs kan leren van vrije software

Share Button

OERIn het onderwijs bestaat de afgelopen jaren steeds meer aandacht voor open educational resources (OER): leermaterialen die vrij hergebruikt mogen worden. Deze ontwikkeling heeft iets van haar ontstaan te danken aan de open source en vrije software-bewegingen. Toch blijven enkele aspecten over hoe en waarom deze bewegingen werken, onderbelicht.

Vijf punten die extra aandacht verdienen, als het gaat om de ontwikkeling van open educational resources.

 

1. Het gaat niet om wat je deelt, maar om hoe je het maakt

Een van de onderscheidende elementen van de open source-beweging is open ontwikkeling. Het gaat hier om projecten waarbij software coöperatief, niet per se gezamenlijk, wordt ontwikkeld in het openbaar, vaak door mensen die bijdragen vanuit verschillende organisaties. Alle processen die leiden tot de creatie en release van software – design, ontwikkeling, testen, plannen – gebeuren met gebruik van gereedschappen die voor iedereen zichtbaar zijn. Projecten proberen ook actief hun ontwikkelaarscommunity te laten groeien.

Als een project open en transparant beheerd wordt, is het veel gemakkelijker om mensen aan te moedigen vrijwillig een bijdrage te leveren die veel verder gaat dan wat je je zou kunnen veroorloven bij een betaald, gesloten project binnenshuis (uiteraard moet je ook veel controle uit handen geven, maar wat was dat nou werkelijk waard?)

Hoewel er enkele coöperatieve projecten bestaan op het gebied van OER, zoals projecten voor open tekstboeken, gebeurt het creëren van open leermaterialen nog vaak privé. De materialen worden of vrijgegeven door individuen die alleen werken, of in stilte ontwikkeld door teams binnen universiteiten.

In de open source-wereld is het verder erg gebruikelijk dat verschillende bedrijven energie steken in dezelfde software-projecten, om zo hun ontwikkelkosten te verlagen en de kwaliteit en duurzaamheid van de software te verbeteren. Ik kan zo direct geen voorbeelden bedenken van onderwijsinstellingen die op grotere schaal samenwerken bij het ontwikkelen van lesmaterialen – bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van een volledige cursus.

In het algemeen lijkt de open source-activiteit binnen de OER-beweging vaak op het “code dumpen”, waarbij een organisatie een open licentie plakt op iets wat zij in essentie heeft losgelaten. In plaats daarvan moet het bij open leermaterialen gaan om open samenwerking en een open proces vanaf het moment dat er een idee ontstaat.

Toegegeven, de meest populaire vormen van open educational resources zijn momenteel dingen als foto’s, PowerPoint-presentaties en podcasts. Dat kan deels komen doordat er geen cultuur van open contentcreatie bestaat die het eenvoudiger maakt omvangrijkere materialen te produceren.

 

2. Geef altijd de ‘broncode’

Veel open leermaterialen worden verspreid zonder een soort ‘broncode’. Afgezien van de licentie, lijken ze wat dat betreft niet op open source-software als  ‘freeware’ die verspreid wordt in de vorm van programma’s die eenvoudig uit elkaar gehaald en aangepast kunnen worden.

Door het verspreiden van de originele componenten van materialen wordt het veel gemakkelijker aanpassingen en verbeteringen door te voeren. Als het leermateriaal bijvoorbeeld in PDF, eBook of een slideshow is gegoten, verschaf dan ook apart alle gebruikte foto’s in hun originele resolutie, of bij illustraties in hun oorspronkelijke, onbewerkte vorm. Verschaf bij documenten ook de originele lay-outbestanden (zie ook punt 5).

Zelfs als het leermateriaal bestaat uit één enkele foto, kan het geen kwaad om het ruwe origineel te distribueren samen met de uiteindelijke, geoptimaliseerde versie. Voor podcasts of video’s geldt hetzelfde: de ruwe versies kunnen beschikbaar worden gesteld, als losse clips geschikt voor herbewerking.

Zonder ‘broncode’ is het lastig materialen aan te passen of er verder op te bouwen.

 

3. Zorg voor een infrastructuur die deze processen ondersteunt, niet alleen de resultaten.

De OER-infrastructuur richt zich tot nu toe vooral op het bouwen van opslagplaatsen voor afgeronde producten, niet op het samen, open creëren van die producten (wiki’s zijn daar duidelijk een uitzondering op).

Ik denk dat het promoten van GitHub als gereedschap om het productieproces van open leermaterialen te sturen, een goed startpunt is. Ik ben niet de enige die dat suggereert. Audrey Watters deed dit eerder op haar blog.

GitHub biedt eenvoudige manier om projecten op te zetten die vanaf het begin open zijn, en heeft een ingebouwd mechanisme voor het creëren van afgeleide werken en om verbeteringen terug te geven. Het is wellicht niet het meest voor de hand liggende gereedschap vanuit het gezichtspunt van  docenten en leraren, maar GitHub maakt veel duidelijk over hoe je leermaterialen kunt creëren in een open proces.

Er zijn ook initiatieven geweest om een soort ‘GitHub for Education’ te maken, zoals CourseFork. Ook dergelijke initiatieven kunnen het hiaat opvullen.

 

4. Denk na over duidelijke principes: wat is OER en wat niet?

Er is veel geschreven over open leermaterialen (misschien te veel), maar er is nog steeds geen duidelijke set criteria waaraan iets MOET voldoen om als OER beschouwd te worden.

In de vrije software-beweging, hebben we de Vier Vrijheden zoals die gedefinieerd zijn door de Free Software Foundation (FSF):

Vrijheid 1: De vrijheid om het programma te gebruiken voor elk doel
Vrijheid 2: De vrijheid om te bestuderen hoe het programma werkt, en het te veranderen om het te laten doen wat je wilt;
Vrijheid 3: De vrijheid om kopieën te verspreiden, zodat je je buurman kunt helpen
Vrijheid 4: De vrijheid om het programma te verbeteren, je verbeterde versie  vrij te geven (en aangepaste versies in het algemeen) voor het publiek, zodat de hele gemeenschap ervan kan profiteren

Als software niet aan al deze eisen voldoet, mag het geen vrije software genoemd worden. En er staat een heel leger mensen klaar om je het leven zuur te maken als je probeert iets als vrije software te verspreiden, terwijl het dat niet is.

Ook ‘open source’ moet voldoen aan de complete definitie van open source die is gepubliceerd door het Open Source Initiative (OSI). Ook hier geldt: als je probeert een project voor te stellen als open source terwijl het niet voldoet aan alle eisen in de definitie, er genoeg mensen bereid zullen zijn je te wijzen op je tekortkomingen, of naar de rechter te stappen als je een van hun licenties misbruikt.

Als het geen open source is volgens de OSI-definitie, of vrije software volgens de FSF-definitie, is het geen ‘open software’. Einde discussie, er is geen grijs gebied.

Het is ook de moeite waard erop te wijzen dat, hoewel er op functioneel niveau veel overlap is tussen vrije software en open source, de manier waarop de criteria zijn opgesteld ook van fundamenteel belang is voor hun respectievelijke culturen en gezichtspunten.

Dezelfde onderscheidende ideeën of culturen die ten grondslag liggen aan vrije software enerzijds en open source anderzijds, zijn ook aanwezig binnen de OER-beweging. Er is enige discussie over de verschillen tussen wat in het algemeen open, vrije, en gratis leermaterialen genoemd mogen worden. Maar hoewel er veel definities over OER circuleren, zijn er nog geen erkende definities en labels waaronder mensen die deze verschillen omarmen, zich scharen.

Het mag vreemd lijken te suggereren dat een splitsing in verschillende partijen een beweging vooruit helpt, maar de spanning tussen het vrije software en open source-kamp heeft volgens mij netto positief uitgepakt (uiteraard kunnen mensen in de verschillende kampen het daarmee niet eens zijn). Door jezelf duidelijk te associëren met de ene of de andere groep, maak je duidelijk waar je voor staat. Waarschijnlijk besteed je ook meer tijd aan het bekritiseren van de andere groep, en minder tijd aan strijd binnen je eigen groep!

Zo lang er geen duidelijke lijnen getrokken worden als het gaat om de vraag waar open leermaterialen precies voor staan, blijven ze alles wat je maar wilt volgens een van de tientallen concurrerende definities en blijven ze kwetsbaar voor witwassen (het voorstellen van materialen als ‘open’ terwijl ze het niet zijn).

 

5. Maak geen open leermaterialen waarvoor propriëtaire software nodig is

Het mag dan zo zijn dat de meeste docenten, studenten en leerlingen Microsoft Office gebruiken en dat veel designers Adobe gebruiken. Maar het is echt niet zo moeilijk om materialen te ontwikkelen die geopend en bewerkt kunnen worden met vrije of open source-softeware. De sleutel is om materialen te ontwikkelen op grond van open standaarden die interoperabiliteit mogelijk maken met een breed scala tools. Hierbij kan onder meer gebruik gemaakt worden van IMS LTI en de Experience API.

Zoals ik aan het begin van deze post zei, open leermaterialen zijn tot op zekere hoogte geïnspireerd door open source en vrije software. Dat betekent dat veel geleerde lessen al zijn terug te vinden in OER, zoals bouwen op (en tot op zekere hoogte vereenvoudigen en verbeteren van) het concept van vrije en open licenties. Het gaat echter om meer dan licenties. Er kunnen wellicht andere waardevolle lessen geleerd worden.

Dit is een vertaling en lichte bewerking van een artikel dat eerder verscheen op het blog van Scott Wilson.

Scott Wilson (1 Posts)

Scott Wilson (Groot-Brittannië) heeft zowel in de software-industrie als in de publieke sector gewerkt, vooral op het gebied van interoperabiliteit en open standaarden. Hij heeft veel praktische ervaring met open ontwikkeling; Scott is betrokken bij diverse projecten van de Apache Software Foundation en voorzitter van het Apache Wookie-project. Scott is ook covoorzitter van verschillende W3C-groepen. Verder is hij betrokken geweest bij diverse Europese, gezamenlijke ICT-projecten.


Over Scott Wilson

Scott Wilson (Groot-Brittannië) heeft zowel in de software-industrie als in de publieke sector gewerkt, vooral op het gebied van interoperabiliteit en open standaarden. Hij heeft veel praktische ervaring met open ontwikkeling; Scott is betrokken bij diverse projecten van de Apache Software Foundation en voorzitter van het Apache Wookie-project. Scott is ook covoorzitter van verschillende W3C-groepen. Verder is hij betrokken geweest bij diverse Europese, gezamenlijke ICT-projecten.

Er kan niet meer gereageerd worden op dit bericht

Berichtnavigatie