Kleine talen hebben moeite met open leermaterialen (OER)

Share Button

mendeleyMinder gebruikte Europese talen lopen het risico om op taalkundig en cultureel gebied gemarginaliseerd te worden als het gaat om open educational resources (OER). Dat stellen onderzoekers van het LangOER-netwerk.

Het terrein van de open leermaterialen wordt gedomineerd door grote talen zoals Engels, constateren zij. Het LangOER-netwerk bestaat uit negen Europese partners en is een drie jaar durend project dat loopt van 2014 tot en met 2016.

LangOER wil onderzoeken hoe minder gebruikte talen kunnen profiteren van open leermaterialen. Het gaat dan onder meer om talen als Nederlands, Fries, Grieks, Lets, Litouws, Pools en Zweeds.

Wikiwijs en KlasCement

De onderzoekers constateren in hun eerste openbare publicatie dat open leermaterialen in minder gebruikte talen in grote mate bestaan uit taalleermiddelen zoals woordenboeken, online boeken in digitale bibliotheken, archieven, online lesmateriaal, audio- en videomateriaal, publicaties over OER en materialen die zich richten op het gebruik van specifieke taalkundige aspecten in oefeningen. Ze staan meestal echter niet open voor aanpassingen door derden.

Ook is er een gebrek aan expliciete nationale investeringen op beleids- en ministerieniveau. “Er zijn wel enkele voorbeelden van minder gebruikte talen die zich onderscheiden door beleidsvorming op nationaal niveau. Wikiwijs in Nederland (in het verleden) en KlasCement als onderdeel van de Vlaamse overheid dienen beide als voorbeeld om te onderstrepen hoe cruciaal beleid is voor de ontwikkeling, kwaliteit en duurzaamheid van OER.”

Doodlopende initiatieven

In Griekenland, Wales en Catalonië worden open leermaterialen in de plaatselijke taal gestimuleerd vanuit de overheid. Verder wordt de Noorse digitale leeromgeving NDLA genoemd als voorbeeld van een nationaal initiatief dat op gemeentelijk niveau digitale leermiddelen aanbiedt voor de bovenbouw van middelbare scholen.

De onderzoekers wijzen er wel op dat veelbelovende initiatieven kunnen eindigen als websites die niet voortgezet worden, als geen langetermijnafspraken op beleids- of gemeenschapsniveau worden gemaakt.

Onduidelijkheid

Van veel bronnen is niet duidelijk hoe ‘open’ ze precies zijn. “Een archief met vrij toegankelijke materialen voor minder gebruikte talen heeft misschien een zoekfunctie, deelmogelijkheden via sociale netwerken en commentaarfuncties, maar is niet duidelijk over de licenties of geeft de naam van de maker niet duidelijk aan. Daarom zou het niet gezien worden als een OER volgens de UNESCO-definitie, maar het kan nog steeds een waardevolle bron zijn voor onderwijzers en in potentie verder uitgebreid worden als bepaalde kwaliteitsaspecten ontwikkeld zouden worden.”

Om het OER-veld verder te kunnen ontwikkelen moet er een gemeenschappelijk begrip ontwikkeld worden van zowel de betekenis als de waarde van open leermaterialen voor minder gebruikte talen. De auteurs van het rapport pleiten verder voor krachtenbundeling, zodat onderwijzers, onderwijsleiders en beleidsmakers grotere impact hebben.

Ongeveer 10 procent van de Europese bevolking spreekt een regionale of minderheidstaal. Voor het LangOER-project vallen daaronder talen die óf worden gesproken door een beperkt aantal mensen, óf die gedomineerd worden door andere, meer gebruikte talen.

Berichtnavigatie